Aleid ter Poorten

Aleid ter Poorten (Deventer, 1399 - Diepenveen, 14 februari 1452) was een conversin[1] in het vrouwenklooster Diepenveen.

Leven

Aleid ter Poorten was de jongste dochter van Johan ter Poorten († 1423), een schepen uit Deventer en zijn echtgenote Lutgerd († vóór 1432). Ze groeide op in een sober gezin, haar ouders waren volgelingen van Geert Grote. Aleid had twee zussen, Swene en Geertruid ter Poorten die al vroeg zouden intreden in het klooster te Diepenveen in het jaar 1407.

Aleids leven nam een andere wending. Ze trouwde in 1410 met de goudsmid en bankier Gerrit Comhaer (-1415) met wie ze naar Zweden zou verhuizen. Hier leefde ze een werelds leven en verkeerde in voorname kringen. Na de dood van haar man in 1415 keerde ze terug naar Deventer. In 1423 trok ook zij, samen met haar moeder, naar het klooster van Diepenveen. Ze woonde met haar moeder in een van de buitenverblijven van het klooster. Haar moeder legde alsnog de kloostergelofte af toen ze in 1427 ziek werd. Onder druk van haar moeder, trad ook Aleid uiteindelijk in. Ze werd geen koorzuster, maar trad in als conversin waardoor ze minder tijd hoefde te besteden aan religieuze taken als bidden, maar vooral was belast met meer praktische werkzaamheden. Aleids stiefzoon, Gozewijn Comhaer, die later bisschop in IJsland zou worden, schonk het klooster een grote som geld uit de nalatenschap van zijn vader.[2]

Zusterboek van Diepenveen

Aleid ter Poorten is een van de zusters die wordt beschreven in het handschrift Van den doechden der vuriger ende stichtiger susteren van Diepen Veen. Dit werk is geschreven door de rector van het Meester-Geertshuis in Deventer en oprichter van het vrouwenklooster in Diepenveen, Johannes Brinckerinck.

Externe links

  • Van den doeghden der susteren van Diepenveen; bespreking op Narrative-sources.be

Voetnoten

  1. Wilhelmus Johannes Kühler, “Johannes Brinckerinck en zijn klooster te Diepenveen” (p92-94), W. Nevens, Rotterdam 1908. "… conversinnen hadden evenals nonnen de gelofte afgelegd. Maar in tegenstelling met dezen hadden zij in hoofdzaak den handenarbeid te verrichten. Ofschoon dit onderscheid in de praktijk niet altijd bleef gehandhaafd en wij te Diepenveen meermalen koorzusters en conversinnen te zamen het een of ander ambachtsbedrijf zien uitoefenen, er bleef altijd een afstand tusschen nonnen en conversinnen bestaan. De conversinnen waren en gevoelden zich de minderen; zij hadden zich in het minst niet te bemoeien met de leiding; zij werden geleid en moesten zich ‘in allen eenvoud en zachtmoedigheid onderwerpen aan den wil van hare oversten’. … De redenen, waarom men iemand opnam onder deze kloosterlingen van lageren staat, waren verschillend. Nu eens geschiedde het wegens lichaamszwakte, dan weer omdat aanleg noch ontwikkeling berekend waren voor de werkzaamheden der nonnen. Wie eenmaal conversin was, moest het blijven; slechts bij hooge uitzondering gaf het generaal kapittel zijn onmisbare toestemming, dat een zuster van den lageren tot den hoogeren stand mocht overgaan. … men (had) in geen enkel opzicht minder deel aan de geestelijke zegeningen. … Van de nonnen onderscheidden conversinnen zich alleen hierdoor, dat zij den zwarten sluier misten, een grijzen in plaats van een zwarten mantel hadden en geen subtiel (mouwloos orde habijt), maar een scapulier droegen. Dit laatste kleedingstuk was een witte schouderbedekking, die van voren en van achteren in een breede strook uitliep. …"
  2. http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/poerten